De ruwe gerst werd eerst naar de derde verdieping gebracht, aanvankelijk door vier sjouwers in zakken van 100 kg!. Stelt U zich voor jute zakken van 100 kg gerst op de rug via smalle trappen naar de derde verdieping. De partij gerst die bij station Wyck aankwam bedroeg zo’n 10.000 tot 15.000 kg. Dat betekende dus voor die vier sjouwers dat ze op een dag meer dan 30 keer naar de derde verdieping moesten klimmen. Voor aanvang kregen de sjouwers kruiken bier en een kan jenever, in de middagpauze spek, brood en bier en na afloop een kan jenever met een dagloon van ƒ 2,50.
Mouthuis
Aan de Wycker Grachtstraat werd in 1885 een vijf verdiepingen tellend mouthuis opgericht, het grootste van Zuid-Limburg. Dit mouthuis was gebaseerd op het traditionele vloermouten, bestaande uit een zestal opeenvolgende fasen.
Na de Eerste Wereldoorlog werd het sjouwwerk overgenomen door een mechanisch transportsysteem, genaamd de St. Jacobsladder. Op die derde verdieping werd de gerst geschoond. Vervolgens werd de gerst naar de vijfde verdieping gebracht voor de natuurlijke droging tot een vochtigheidsgehalte van plusminus 12%. Van de vijfde verdieping ging de gerst vervolgens naar de tweede verdieping, waar de gerst in stenen weekbakken werd gestort. Na een 40-tal uren weken was de gerst verzadigd (50% vochtigheidsgehalte) en gereed om te kiemen. Het vloerkiemen geschiedde op de begane grond en eerste verdieping. Waren door het kiemen de aangemaakte enzymen optimaal gevormd dan moest het groeiproces abrupt gestopt worden. Dat gebeurde door het roosteren in de eest (droogkamer). De eestvloeren(roosters) bevinden zich op de vierde verdieping.
De ongemalen mout werd opgeslagen in een naastgelegen silo en vervolgens via een transportgoot(schroef van Archimedes) vervoerd naar de schrootmolen, die op de eerste verdieping precies boven de ruimte van de roer- en beslagkuip. Vandaar kon de mout met een vooraf bepaald extractgehalte (moutsuikergehalte) gestort worden in de roerkuip.